Metaforen
Je sleurt aan een scrollbar en het beeldscherm lijkt de pagina naar beneden te volgen, als een camera die een aantrekkelijke actrice van top tot teen in beeld brengt. Je klikt op een checkbox en drukt vervolgens op de ok-knop. Zo, weer iets gepiept. Wat er achter de schermen precies gebeurt, zal je een biet wezen.De computers van vóór de Macintosh zagen er heel anders uit. In de science fiction-film WarGames uit 1983 (één jaar voor de lancering van de Macintosh) breekt Matthew Broderick in op een zeer geavanceerde computer van het Amerikaanse leger. De toeschouwer kijkt mee over de schouder van Matthew, maar wat hij te zien krijgt is naar onze maatstaven weinig indrukwekkend: een zwart beeldscherm met een knipperend groen blokje. Via het toetsenbord moet Matthew allerlei commando’s intypen om instructies aan de computer te geven. Doe dit, doe dat, doe zus, doe zo...
Dit was de tijd dat je zo ongeveer een kerngeleerde moest zijn om met een computer overweg te kunnen. En het was bovendien een tijdrovende zaak om het rekenmonster je wil op te leggen.
In het Palo Alto Research Center van Xerox begonnen in de jaren zeventig experimenten met de mens-computer interactie. Men bedacht een grafische interface die gebruik maakte van vensters, icoontjes, menu’s en een muisgestuurde cursor.
Apple nam dit idee over voor de Lisa en de Macintosh, maar voegde er iets essentieels aan toe: de bureaublad-metafoor. Het scherm was niet langer een scherm, maar een bureau. Letterlijk! Een directory (map) zag er uit als een map en een file (bestand) als een vel papier met een omgevouwen hoekje. Er stond zelfs een miniatuur prullenbak op het scherm waar alles desgewenst in verdween. Het bijkomend voordeel van deze metafoor was dat hij gebruik maakte van het grote vermogen van mensen om de plaats van voorwerpen in een ruimte te onthouden.
Apple’s rigide doorgevoerde grafische interface en bureaublad-metafoor slaagden zo goed dat mensen het verschil tussen de Finder (in feite niets anders dan een programma dat op de computer draait) en de computer niet meer zagen. De Finder was de computer.
In het voetspoor van de bureaublad-metafoor werden allerlei hulpmiddeltjes geïntroduceerd die het gebruik van de computer moesten vereenvoudigen: tabbladen, knoppen, radiobuttons, checkboxen en scrollbars. Tekenprogramma’s kregen een toolbox met een kroontjespen, een potlood, een gum en een liniaal. De meeste van deze controls hadden een equivalent in de werkelijke wereld waardoor gebruikers hun functie gemakkelijk konden herkennen en leren.
Apple heeft altijd geprobeerd de metafoor zo zuiver mogelijk te houden, zodat de Mac makkelijk onder de knie te krijgen is; ook voor beginnende computergebruikers. Gebruiksgemak dus. Maar bij grote hoeveelheden informatie ontstaan in de klassieke Finder (ook wel de Spacial Finder genoemd) stapels geopende vensters waardoor je niets meer terug kunt vinden. Vervelend genoeg is er een efficiëntere manier om je documenten terug te vinden. Die past alleen niet zo goed binnen de bureaublad-metafoor.
Die betere methode is de browser. Hij bestaat uit een mappenlijst die weer sublijsten en subsublijsten kan produceren. Een veel administratievere en abstractere methode, maar wél productiever.
Toen ik met mijn Mac-achtergrond voor het eerst achter een Windows-pc ging zitten, moest ik behoorlijk wennen aan deze manier van bestanden navigeren. Maar ik kwam er al snel achter dat deze methode veel beter geschikt was voor mijn intensieve computergebruik. In het klassieke MacOS bestaat ook al een dergelijke ‘zoek je document’ methode: de list view (toon lijst). Die is echter een stuk simpeler dan de Windows-versie en schiet op den duur te kort.
De metafoor staat gelijk aan gebruiksgemak en is het meest geschikt voor beginnende en onervaren gebruikers. Mensen die echter veel en intensief met computers werken, gaan de metafoor al snel als een belemmering ervaren. Power users willen geen gebruiksgemak: ze willen productiviteit. En de wereld herbergt in toenemende mate power users: de jongere generatie die opgroeit met computers. Dat is goed te merken aan de Finder van laatste incarnaties van MacOS X. Hierin heeft de filebrowser een plaats vooraan gekregen.
In User Interface-kringen woedt nog steeds een discussie over de juiste implementatie van de bureaublad-metafoor, waarin met name de Finder centraal staat. Kan je in het klassieke MacOS nooit twee vensters van één map open hebben staan, in de laatste incarnaties van OS X kan dat wel. Voor onervaren computergebruikers is dat uitermate verwarrend: waar staat die map nu eigenlijk? En hoe vind je een bestand terug als het venster er telkens anders uitziet?
Het hele probleem is een gordiaanse knoop geworden. Wat je op je beeldscherm ziet, is een mengelmoesje van de grafische interface, gemengd met de bureaublad-metafoor, geïnfiltreerd door abstracte bestandenstructuren en van smaak voorzien met behulp van een arsenaal aan controllers die uiteenlopende wereldlijke objecten imiteren. Een aantal puristen zal vast willen houden aan de oorsprong van deze incarnaties, maar dat is op den duur niet vol te houden. Eens zullen we de bron moeten loslaten en accepteren dat alles wat we op het scherm te zien krijgen een eigen taal is. Zolang we de grammatica daarvan maar enigszins consistent en begrijpelijk houden, is die voor iedereen te leren.
Finn Stapelkamp
Eerder gepubliceerd: MacFan 50